Kraamzorg in Nederland is uniek. Nergens op de wereld wordt dit concept toegepast. Maar hoe is het nou ontstaan?

Bakers

Eeuwenlang werd de kraamzorg door bakers gedaan. Dit waren door de praktijk geschoolde ervaren en toegewijde vrouwen, vaak gehecht aan oude beproefde methodes. De eerste cursussen voor bakers werden in 1900 opgezet. Pas in 1923 werd er een commissie ingesteld, die toezicht ging houden op de nieuwe opleiding kraamverzorging ter voorkoming van het ‘Wild Bakeren’.

baker proeft de melk
                       Foto: Baker proeft de melk – Bron: www.fni.nl

 

In de 19de eeuw bevielen de meeste vrouwen gewoon thuis, begeleid door een vroedvrouw of huisarts. Na de bevalling kwam de zorg voor moeder en kind in handen van een baker. Dat waren meestal oudere vrouwen.

Aan het einde van de 19de eeuw woei er een nieuwe wind door Nederland. Fabrieken en bedrijven kwamen in opkomst en mensen trokken naar de grote steden op zoek naar werk. Ook de geneeskunde maakte een enorme ontwikkeling door. Een belangrijke doorbraak was de ontdekking van de bacterie. Eindelijk waren medici in staat de oorzaak van allerlei ziekten te diagnosticeren.

Met deze nieuwe kennis over hygiëne gingen medici de strijd aan tegen de kraamvrouwenkoorts en de kindersterfte. Vanaf dat moment klaagden ze steen en been over de bakers, die meestal niet konden lezen of schrijven en geen idee hadden van de nieuwste ontwikkelingen op het gebied van hygiëne en zuigelingenvoeding.

 

De eerste opleidingen

In 1899 startte het Witte Kruis daarom met een opleiding voor bakers en ook het Groene Kruis ging zich bezighouden met de scholing van bakers. Ook de aanstaande moeders kregen voorlichting. Eenmaal opgeleid ontvingen de bakers een uniform, een diploma en een speld. Dat gaf natuurlijk veel status. Toch begon het imperium van de baker vanaf 1920 te wankelen. Vanaf dat moment werd ook in artsenkringen gesproken over een nieuw type baker, de “kraamverzorgster”. Zij moest de ouderwetse baker vervangen en de nieuwe hygiënische beginselen van “rust, reinheid en regelmaat” introduceren in de gezinnen.

 

De nieuwe kraamverzorgsters

Vanaf het begin van de 20ste eeuw ging de overheid zich meer met de openbare volksgezondheid bezighouden. Een speciale commissie ontwierp de nieuwe opleiding voor kraamverzorgsters, die in 1926 van start ging. Gedurende achttien maanden, waarvan zes in de kliniek, volgde de leerling theorie- en praktijklessen. De taken, die de huidige kraamverzorgende in haar pakket heeft, werden al in die eerste opleiding voor kraamverzorgsters geformuleerd.

 

Zwabberen of zorgen

“Wild bakeren” was tot 1950 een groot probleem in de kraamzorg. De behoefte aan kraamzorg was in deze periode groot. Veel arme vrouwen konden de verleiding niet weerstaan en gaven zich zonder opleiding uit voor geoefende kraamverzorgsters. Vooral op het platteland was dit moeilijk te controleren, en gemakshalve zochten veel gezinnen hun heil weer bij de goedkope baker uit de buurt.

De druk op de kraamopleiding was hoog, want er waren veel te weinig opleidingsplaatsen. Vooral toen de bakeropleiding in 1943 definitief stopte, legde dat een extra druk op de opleiding tot kraamverzorgster. Die opleiding had ook te kampen met tekorten in het praktische gedeelte. Want waar moesten al die nieuwe kraamverzorgsters ervaring opdoen en wie moest ze daarbij begeleiden? Er was nog weinig eenheid tussen de verschillende opleidingen.

Tenslotte kampte de vernieuwde kraamopleiding met een probleem, dat haar tot op de dag van vandaag zou blijven achtervolgen. Het werk van de kraamverzorgster beweegt zich namelijk tussen zwabberen en zorgen. Aan de ene kant moest de kraamverzorgster de kraamvouw verzorgen en aan de andere kant werd ze ingeschakeld bij allerlei huishoudelijke klussen. Vooral tussen 1930 en 1950 was er een schreeuwend tekort aan dienstmeisjes in de burgerlijke gezinnen. Sommige gingen de kraamverzorgster zien als een tijdelijke oplossing voor dit probleem.

zorgen

Extra dimensie en verantwoordelijkheid

Vanaf 1950 werden kraamverzorgsters in internaten opgeleid, waar ze drie maanden aaneengesloten theoretisch onderwijs kregen. Daarna gingen ze twaalf maanden de praktijk in, onder leiding van een docente. In ruil voor hun opleiding kregen de kraamverzorgsters kost en inwoning, en zakgeld. In 1960 was dat bijvoorbeeld honderd gulden per maand.

In de nieuwe opleiding werd veel aandacht besteed aan het vak pathologie, dat de kraamverzorgster in staat moest stellen afwijkingen in het kraambed beter te herkennen. Haar signalerende functie naar huisarts en vroedvrouw kreeg hierdoor een extra dimensie en ook haar verantwoordelijkheid nam hiermee flink toe. Bovendien werd er in de opleiding meer aandacht besteed aan huishoudkunde als vak. In de praktijk konden kraamverzorgsters hierdoor bewuster nee zeggen tegen opgedragen huishoudelijke karweitjes. Voor de beroepsvorming waren dit belangrijke veranderingen.

Wanneer het theoretische onderricht voorbij was, ging de leerling stagelopen in het gezin. Het werk van de kraamverzorgster bestond uit het zorgen voor moeder en kind en het huishouden draaiende houden.

Met de komst van apparaten als wasmachines en stofzuigers werd het huishoudelijk werk aanzienlijk verlicht. De kraamverzorgster kon steeds meer tijd besteden aan de contacten met moeder en kind en het geven van voorlichting en instructie.

De internaatopleiding werd in de loop der jaren nog diverse malen verbeterd, zoals bijvoorbeeld de herziening van 1971.

Hoewel de werkomstandigheden in de kraamzorg en de opleiding sinds 1950 sterk waren verbeterd, tobde het beroep toch met een negatief imago. Zo was de kraamverzorgster altijd afhankelijk van de vroedvrouw, kraamverpleegkundige of de leidster van het kraamcentrum. Ook stond de leerling kraamverzorgster, net als de leerling-verpleegkundige in de interne opleiding, altijd in een afhankelijke positie van haar werkgever. Ze was immers leerling en werkneemster tegelijk. Bij problemen trok ze dan ook altijd aan het kortste eind.

 

Waardering

Met het verdwijnen van de verschillende kruisverenigingen is de basis voor de internaatopleidingen vervallen. Het laatste internaat, de Cuurmand in Noordwijk, sloot in 1988 zijn deuren. Inmiddels heeft de opleiding voor kraamverzorgsters in 1983 een nieuwe impuls gekregen.

Toen de oude opleidingsstructuur kwam te vervallen, werd de opleiding op modernere leest geschoeid, waarin de kraamverzorgende minder afhankelijk is van haar werkgever.

Toch is het de vraag of deze vernieuwing heeft geleid tot een meer zelfbewuste beroepsgroep. Het beroep van kraamverzorgende wordt immers nog steeds ondergewaardeerd. Het lijkt soms wel of alleen diegenen, die direct profijt hebben van de kraamzorg, de gezinnen dus, het werk van de kraamverzorgende weten te waarderen. Want in het salaris komt die waardering niet tot uiting.

 

Nieuwe initiatieven en ontwikkelingen

De onregelmatige diensten, het geïsoleerd werken en de wisselende werksituaties worden nog steeds niet naar behoren beloond. Bovendien zijn ze slecht georganiseerd, net als andere groepen van verzorgende. Initiatieven vanuit de beroepsgroep zelf komen daarom maar moeizaam op gang, terwijl thuisbevallingen door de maatschappelijke veranderingen meer en meer onder druk komt te staan.

In dit debat zal de beroepsgroep, net als verloskundigen dat doen, een geluid moeten laten horen en niet blijven afwachten of op de achtergrond blijven. En dat gebeurt tegenwoordig ook steeds meer. De laatste tijd zijn veel nieuwe initiatieven genomen, zoals de landelijke dag voor de kraamzorg, die een hoogtepunt aan het worden is in de kraamzorg, de beroepsorganisatie Bo Geboortezorg, professionele vakbladen (waar praktische en inhoudelijke zaken over het werken in de kraamzorg worden besproken).

Ook bij de NBvK, Nederlandse Belangenvereniging van Kraamverzorgenden doen ze er alles aan om op te komen voor deze ondergewaardeerde groep. Hier laten kraamverzorgenden hun stem horen en komen ze zelf met ideeën en suggesties over inhoudelijke verbeteringen van hun vak. Het beroep van de kraamverzorgende is volop in ontwikkeling. (Bron: www.fni.nl)

Diana de Koning

Diana de Koning

CEO

Handle with Care Opleidingen is opgezet door Diana de Koning, afgestudeerd in de Pedagogische Wetenschappen en Klinische Kinder– en Jeugdpsychologie. Diana is CEO van Handle With Care Groep B.V. met de 2 grootste pijlers: geboortezorg en opleidingen.

Ben jij klaar voor de toekomst?

Het vak kraamverzorgende verandert en wij van Handle with Care denken graag met jou mee hoe jij je kunt voorbereiden op deze veranderingen!

Download onze test en ontdek of jij klaar bent voor de toekomst!

Pin It on Pinterest

Shares
Share This